René de Clercq

René de Clercq (1877-1932)

De Clercq studeert af in de Germaanse filologie in 1902,
waarna hij leraar wordt. Voor de oorlog ontpopt hij zich tot
een geliefd volksdichter. Bij de Duitse invasie vlucht hij naar
Nederland. Voor het blad De Vlaamsche Stem schrijft hij er
Belgisch-nationalistische, royalistische en anti-Duitse
gedichten. Op de 11 juli-viering van 1915 in Bussum
ondertekent hij een huldetelegram aan koning Albert I,
waarin hij zijn vertrouwen uitdrukt in diens “haute sagesse
pour garantir la Flandre autonome dans la Belgique
indépendante”. Het ontwijkende antwoord van de vorst
vertaalt de Clercq ontgoocheld als: “Vlamingen, vecht en
zwijgt”.

Vanaf de zomer van 1915 wordt De Vlaamsche Stem met
Duits geld in stand gehouden. De Clercq die weigert ontslag
te nemen uit de redactie, wordt daarop ontslagen als
atheneumleraar. Dat wekt bij de Vlaamsgezinden grote
verontwaardiging. Voorlopig blijft De Clercq trouw aan
België.

De Clercq schrijft talrijke Vlaamse strijdliederen, die
geregeld overgenomen worden door de activistische pers in
Vlaanderen. Toch onderhoudt hij weinig persoonlijke
contacten met activisten in het Zuiden. De in het voorjaar
van 1917 opgerichte Raad van Vlaanderen wil de populaire
dichter gebruiken voor zijn propaganda. De Clercq laat zich
overhalen om terug te keren naar België, als activist. Hij
pleit nu voor een zelfstandig Vlaanderen als tussenstap naar
een politiek Groot-Nederland en wordt lid van de Raad van
Vlaanderen. Toch speelt hij geen leidende rol in het
activisme.

Na de oorlog vestigt De Clercq zich definitief in Nederland,
waar hij als letterkundige werkzaam blijft. Zijn
terdoodveroordeling belet hem naar Vlaanderen terug te
keren. Hij blijft ijveren voor de Groot-Nederlandse gedachte.